Op reis 3 – Op expeditie

In de zestiende en zeventiende eeuw vulden ontdekkingsreizigers de wereldkaart stukje bij beetje in. Het beroemdste voorbeeld is Christoffel Columbus (1451-1506) die onder Spaanse vlag een westelijke handelsroute naar Indië zocht en in 1492 aankwam in de Canarische eilanden.

Ook Nederlanders deden ‘ontdekkingen’, zoals Abel Tasman (1603-1659) die in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie Nieuw-Zeeland, Tonga en het naar hem vernoemde Tasmanië in kaart bracht. Op zoek naar het Zuidland, een mythisch continent op het zuidelijk halfrond, vond Jacob Roggeveen (1659-1729) op Paaszondag 1722 in de eilandenkring Polynesië het Paaseiland. 

‘Ontdekkingen’ is natuurlijk een wat vreemde term. Het wekt de suggestie dat nog nooit eerder een mens voet aan wal zette. ‘Ontdekte’ streken hadden in de meeste gevallen een inheemse bevolking met een eigen taal en cultuur. De Europese expansiedrift zorgde voor rijkdom en welvaart thuis. Het bracht tegelijkertijd geweld, onderdrukking en slavernij met zich mee.

nova z
Schoolprent van het Behouden Huys op Nova Zembla. Rijksmuseum.

Gedrukte verslagen over nieuwe oorden vonden gretig aftrek bij het grote publiek. In 1598 publiceerde bootsman Gerrit de Veer een spannend verhaal over de expedities van Willem Barentsz (ca. 1550-1597) en Jacob van Heemskerck (1567-1607), die aan het einde van de zestiende eeuw een noordoostelijke handelsroute naar China, Japan en Oost-Indië zochten. Bij Nova Zembla in de Noordelijke IJszee kwam hun scheep in het ijs vast te zitten en was de bemanning genoodzaakt om een winter lang te overleveren in een houten noodhut, het Behouden Huys.

Vragen en opdrachten

1. Bekijk het derde deel van het verslag van Gerrit de Veer uit 1598, getiteld Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien [zeiltochten], ter werelt noyt soo vreemt ghehoort, en beantwoord de volgende vragen. De tekst vind je hier. Maak eventueel gebruik van het WNT.

a. Vat in maximaal vijf regels samen wat er gebeurt tussen 26 en 31 augustus 1596.
b. 
De Veer probeerde zowel feitelijk verslag te doen van de expeditie als een avontuurlijk verhaal te geven. Citeer één regel uit de dagtekening van 26 augustus 1596 waarin de auteur zinspeelt op spannende gebeurtenissen in de toekomst. Noteer daarnaast van welk literair stijlmiddel de auteur gebruikmaakt.
c. Uit het reisverslag blijkt dat de bemanning het vaak aan de stok kreeg met ijsberen. Lees de dagtekening van 25 oktober 1596 en bekijk de afbeelding die daar direct onderstaat. Noteer wie de hoofdrolspelers in dit fragment zijn en beschrijf hoe zij, in woord en beeld, worden gepresenteerd. Motiveer je antwoord.
d. IJsberen waren een constant gevaar op Nova Zembla, maar stelden de bemanning ook in staat om te overleven. Zoek één fragment in de verslaglegging van februari 1597 waaruit dat blijkt. Noteer de datum en beschrijf wat er gebeurt.

2. Voor het verslag werden verschillende prenten gemaakt. Op het titelblad van de Waerachtighe beschryvinghe zijn vier gebeurtenissen uitgebeeld. Bekijk de afbeelding en beantwoord de volgende vragen. De gravure vind je hier. NB. Deze afbeelding wijkt ietwat af van de afbeelding in de tekst.

a. Noteer welke gebeurtenissen worden afgebeeld op afbeeldingen 2 en 3 (linksonder en rechtsboven).
b. Lees de volledige titel en bekijk de titelpagina bovenaan het verslag. Beargumenteer welk doel de uitgever waarschijnlijk had met deze titel. De titel vind je hier. Maak eventueel gebruik van het WNT.
c. Niet iedereen was enthousiast over de reisbeschrijving van De Veer. In 1601 deed Jan Huygen van Linschoten (1563-1611) in zijn Voyagie ofte Schipvaert verslag van zijn eigen reizen naar het noorden. In de inleiding schreef hij het volgende:

“Want aensiende de schriften, die daer van uytghegheven zijn, docht my, dat alsoo de selve maer aen landt ghesmeet waren, meer tot vermakinghe des Lesers, als tot rechte kennisse der Noordtscher Landen […], maer in plaetse van dien, alleenlicken met eenighe versierde Historische figueren waren opgepronckt, dat sy dierhalven, of niet, of weynich conden dienen, tot de memorie der selver te behouden, ende veel min om naemaels eenich nut te doen.”

Beschrijf wat er volgens Linschoten niet deugde aan het verslag van De Veer. Noteer daarnaast welk doel Linschoten zelf voorstond met zijn Voyagie. Maak eventueel gebruik van het WNT.

3. In de achttiende eeuw was de expeditie van Barentsz en Van Heemskerck nagenoeg vergeten. In 1818 schreef de Hollandsche Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen een wedstrijd uit met de vraag een gedicht te schrijven over de expeditie. De populaire dichter Hendrik Tollens (1780-1856) won met een lang lofdicht getiteld ‘De overwintering der Hollanders op Nova Zembla.’ Het gedicht vind je hier.

a. Lees regel 1-47. Tollens beschrijft hoe Nederland ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog net als andere Europese grootmachten ontdekkingsreizen maakte. Naast Barentsz en Van Heemskerck noemt Tollens twee andere Nederlandse ontdekkingsreizigers. Zoek op om wie het gaat en noteer in maximaal 10 regels waar zij tegenwoordig bekend om staan.
b. Geef een citaat uit regel 1-47 waaruit blijkt dat Nederland volgens Tollens een voortrekkersrol heeft. Motiveer je keuze.
c. Lees regel 220-250. Beschrijf in maximaal vijf regels hoe Willem Barentsz en de zeelui zijn beschreven.
d. In één van de versies van zijn gedicht eindigt Tollens met een citaat van de dichter Vondel (1587-1679). In het origineel, een lofdicht op admiraal Michiel de Ruyter (1607-1676), maakt Vondel een vergelijking tussen klassieke en moderne schrijvers:

“Wy vliegen hier, zoo d’ouden razen*
Op geene vliegende Pegazen**
De waerheit hoeft geen logendicht,
Noch valsche verwen, schoon in ’t blaeken.
Zy tekent ’s lants geschiede zaeken,
Zoo klaer gebleeken als het licht.”
het zich inbeelden ** het vliegende paard Pegasus

Beredeneer waarom Tollens dit fragment inlaste aan het eind van zijn gedicht.

4. Bijna drie eeuwen lang bleef het Behouden Huys onaangeroerd. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw waren er enkele expedities naar Nova Zembla. Tijdens een berenjacht in de zomer van 1876 vond de Engelsman Charles Gardiner enkele restanten in het vernielde huis, die later aan het Rijksmuseum werden geschonken.

a. Ga op de website van het Rijksmuseum op zoek naar de voorwerpen die in het Behouden Huys werden gevonden. Noteer welke voorwerpen Gardiner in 1876 aantrof. De website vind je hier.
b. In de collectie van het Rijksmuseum bevinden zich voorwerpen die mogelijk bezit waren van de missieleiders Barentsz en Van Heemskerck. Noteer om welke voorwerpen het gaat. Motiveer je antwoord.
c. Welk van deze objecten spreekt het meest tot jouw verbeelding? Geef een gemotiveerd antwoord.