Op reis 4 – Fantasie en toekomst

De logboeken en scheepsjournalen van zeventiende-eeuwse ontdekkingsreizigers waren ontzettend populair. Terwijl de wereld langzaamaan werd verkend, begonnen schrijvers te dagdromen over magische, perfecte of absurde eilanden in een nog onontdekt stukje oceaan. 

Vooral in de achttiende eeuw waren dit soort imaginaire reisverhalen populair. Jonathan Swift (1667-1745) beschreef in zijn Gulliver’s Travels (1726) landen van dwergen, reuzen en pratende paarden en Daniel Defoe (1660-1731) schreef in zijn beroemde Robinson Crusoe (1719) over de avonturen van een schipbreukeling op een onbewoond eiland. In navolging van die laatste bestseller verschenen in Nederland zogenaamde robinsonades, zoals de Walcherse Robinson en de Libanonsche Robinson.

RP-P-OB-51.498
Titelpagina van Defoe’s La vie et les avantures surprenantes de Robinson Crusoe, 1720, van Bernard Picart. Rijksmuseum.

Imaginaire reisverslagen stelden auteurs in staat om na te denken over een perfecte maatschappij. Tegelijkertijd was het een geschikt middel om kritiek te uiten. Door de spot te drijven met een vreemde beschaving, kon de schrijver tegelijkertijd kritiek leveren op zijn eigen land. Naarmate de wereldkaart werd ingekleurd, verschoof het speelveld van een verafgelegen eiland naar de verre toekomst.

Vragen en opdrachten

1. Verschillende ontdekkingsreizigers waren in de achttiende eeuw op zoek naar het Zuidland, Terra Australis incognita, een nog onontdekt continent op het zuidelijk halfrond. Het Zuidland bleek uiteindelijk een mythe. In Nederland schreef de Zwolse chirurgijn Henrik Smeeks een imaginair reisverhaal over het Zuidland, de Beschrijvinge van het magtig Koninkryk Krinke Kesmes (1708). De ik-persoon spoelt hier aan in het onbekende koninkrijk Krinke Kesmes. De tekst vind je hier. 

a. Lees de voorrede, waarin Smeeks zijn motivatie uitlegt om het verslag over Krinke Kesmes te schrijven. Noteer wat naar eigen zeggen het doel van de auteur is.
b. Uit de voorrede blijkt niet dat het gaat om een imaginair reisverhaal. Denk je dat lezers uit 1708 zijn verhaal geloofden? Beargumenteer je antwoord.
c. De inwoners van Krinke Kesmes spreken ‘alle Europische en Asiatische Taalen’, maar hebben ook hun eigen taal. In de tekst worden enkele woorden Krinke Kesmees  gegeven, zoals ‘nemnan’ (mannen), ‘wonvure’ (vrouwen) en ‘knepko’ (pokken). De auteur speelt hier een taalspel. Leg uit wat hij heeft gedaan en hoe dit taalspel wordt genoemd.
d. Leg uit wat de auteur met dit taalspel probeerde te bereiken.
e. Ook met de naam ‘Krinke Kesmes’ wordt een taalspel gespeeld. Leg uit wat er achter deze naam schuilgaat.

2. De ik-persoon vertelt dat Krinke Kesmes op een gegeven moment in aanraking kwam met de heilige boeken van andere landen. Daar kwam religieus conflict uit voort. Lees pagina 128 (vanaf alinea 3) tot en met 133 en beantwoord de volgende vragen. De tekst vind je hier.

a. De koning besloot een gemeenschappelijke kerk te bouwen voor alle geloven. Leg uit waarom dat geen succes werd.
b. In de kerk werden drie stoelen geplaatst. Deze stoelen komen overeen met drie belangrijke godsdiensten. Noteer om welke drie godsdiensten het hier gaat. Noteer daarnaast welke drie stromingen worden vertegenwoordigd door de tweede stoel.
c. Leg uit hoe deze passage gelezen kan worden als kritiek op de religieuze situatie in Europa.
d. Welk van de genoemde godsdiensten komt er in deze passage het beste van af? Geef twee citaten waaruit dit blijkt en motiveer je antwoord.

3. Aan het einde van de achttiende eeuw had Nederland te maken met grote staatkundige hervormingen. Naar Frans voorbeeld werd in 1795 de Bataafse Republiek gesticht. In 1798 schreef Gerrit Paape (1752-1803) de toekomstdroom De Bataafsche Republiek, waarin hij een rondleiding gaf door Nederland in het (destijds) verre jaar 1998. Aan de hand van de wijze Balsamon en zijn domme knecht Celanor, die op magische wijze in het jaar 1998 terechtkomen, leren we de toekomst kennen. De tekst vind je hier.

a. Lees  het voorbericht. Noteer welke twee dingen Paape met zijn boek wilde bereiken.
b. De gids Lijsidor vertelt Balsamon hoe de staatskunde in twee eeuwen tijd werd geperfectioneerd. Onder andere moeten kandidaat-bestuurders voortaan een test afleggen. Lees pagina 57-63. Vat in maximaal 10 regels samen hoe deze test in elkaar steekt en wat het voordeel ervan is.
c. Leg uit wat volgens Lijsidor het kwalijke van mooisprekerij is.
d. Leg uit op welke manier Paape zijn eigen tijd bekritiseert.
e. Lees het twaalfde hoofdstuk op pagina 88-95, waarin de domme Celanor een bezoek brengt aan het café. Leg uit wat hier wordt bespot en op welke manier dat gebeurt.
f. Celanor representeert in De Bataafsche Republiek de onwil en de stilstand. Leg uit wat Balsamon vertegenwoordigt.

4. Ook tegenwoordig zijn toekomst- en fantasieverhalen populair. Net als imaginaire reisverhalen bekritiseren en bespotten science fiction en fantasy-verhalen de actualiteit. Geef twee moderne voorbeelden van dit soort verhalen en leg uit wat zij aan de kaak stellen. Maak eventueel gebruik van films die je gezien hebt.